Blog

Onderzoek funderingsvoet geplande windmolen

Elma Schrijer is archeoloog en werkzaam als projectleider bij ADC ArcheoProjecten. Zij is nauw betrokken bij het veldonderzoek voor Windplanblauw.

Elma: We zijn nu de funderingsvoet van de geplande windmolen aan het onderzoeken. Deze windmolen komt ten zuiden van de Visvijverweg te staan. De molen staat in een archeologisch rijksmonument. Dat wil zeggen dat het terrein waar de molen komt is beschermd tegen gravende ingrepen door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Er zitten archeologische resten in de grond. In het verleden zijn hier de resten van de Swifterbantcultuur gevonden. Dat is de reden waarom de hele windmolenvoet nu onderzocht wordt door ons.”

Sleuven
“Tijdens dit onderzoek onderzoeken we de hele funderingsvoet door de aanleg van sleuven. Mochten we iets tegenkomen dan verzamelen wij dit en nemen wij het mee, zodat het bewaard blijft. Omdat de aanleg van de turbinefundering de grond gaat verstoren, is het van belang dat archeologen zoals wij, gegevens verzamelen en in detail administreren. We nemen veel monsters, zodat we naderhand kunnen construeren hoe het landschap eruit zag, door bijvoorbeeld diatomeeën-, pollen- en zadenanalyses en het microscopisch onderzoeken van bodemprocessen die hebben plaatsgevonden”, vertelt Elma.

Opgraving
“Dit is een interessante opgraving omdat in een rijksmonument normaalgesproken niet gegraven wordt, het is tenslotte beschermd tegen ingrepen. Dit rijksmonument beschermd naast de archeologische resten in de bodem ook de landschappelijke zone er omheen. Je hebt hier te maken met een geul in de ondergrond. Aan weerszijden van die geul liggen oevers waarop rond 5000 v. Christus boerennederzettingen verschenen. Die boerennederzettingen behoren tot  de eerste boerensamenlevingen in Noordwest Europa. Voor die tijd leefden mensen van jagen en verzamelen, mensen trokken rond, die bleven niet op één locatie. Dit verandert door de keuze voor een agrarisch bestaan”, legt Elma uit.

Deze mensen leefden van veeteelt en gewas dat op kleine akkers werd verbouwd en woonden op een semipermanente plek. Ze bouwden op dit terrein als eerste echte huizen. Ze woonden in een soort van delta, waarschijnlijk te vergelijken met een Biesboschachtige constructie. Eens in de zoveel tijd trad de geul buiten zijn oevers en had de bevolking te kampen met wateroverlast. Dit blijkt onder andere uit eerdere opgravingen waarin is aangetoond dat akkers afgedekt zijn met klei uit de geul. We weten nog niet of de bewoning tijdens de overstromingen op de oevers bleef wonen of dat zij hier alleen in droge periodes verbleven.

De informatie over wanneer het droog en nat is, waar het landschap hoger of lager ligt, of het milieu zoet, zout of brak is, halen we uit de profielen, de opstaande wanden, in onze sleuven.”

Sleuven graven
“Als we een sleuf graven, maken we een gat van circa 4 meter breed, 5 meter lang en tussen de 1 en 3 meter diep. In de verticale wand die dan overblijft zie je keurig de gelaagdheid van de bodem. En die gelaagdheid proberen wij te duiden. Dit graven gebeurt niet willekeurig. In de Nederlandse en Europese wetgeving is bepaald dat je alleen die grond archeologisch mag onderzoeken waar de grond verstoord wordt voor nieuwbouw. Alleen daar, in ons geval, waar de funderingsvoet voor de turbine geplaatst wordt.

Binnenkort komt er nog een opstelterrein naast en als de verstoring voor de aanleg van dat opstelterrein diep genoeg gaat om archeologische resten aan te treffen, dan zal dat ook onderzocht worden.”

Open Dag
“Tot nu toe hebben we op deze locatie nog geen archeologische vondsten gedaan, ondanks dat het een rijksmonument is. Als we hier klaar zijn, gaan we de windmolenlocatie ten zuiden van deze onderzoeken. Deze locatie ligt ook in het rijksmonument. Op die locatie wordt waarschijnlijk een Open Dag georganiseerd. Als we daar archeologisch materiaal vinden, vormt dat samen met de profielen, een mooi verhaal over de boerensamenleving die hier in het verleden was, de Swifterbantcultuur.”

Rijksuniversiteit Groningen
De Rijksuniversiteit Groningen heeft ook baat bij dit onderzoek ‘Wat te doen met onze doden? Het grafritueel van de Swifterbantcultuur in Nederland’. De heer D. Raemaekers is professor en directeur van het Groninger Instituut voor Archeologie (GIA) aan de Rijksuniversiteit van Groningen (RUG). Hij heeft Swifterbant als één van de speerpunten van het GIA opgenomen. Elma: “Hij is één van de archeologen die nauw betrokken is bij alles wat wij doen. Wij houden deze groep dan ook regelmatig op de hoogte. Professor Raemaekers begeleidt momenteel drie onderzoekers in opleiding, die zich op dit moment bezighouden met diezelfde Swifterbant cultuur.”

Swifertbantcultuur
“Er is natuurlijk al veel over de Swifterbantcultuur geschreven. Niet alleen omdat het één van de eerste boerensamenlevingen is van Nederland, maar ook omdat de vondstomstandigheden hier uitstekend zijn. Alles wat in deze bodem is achtergelaten, is afgedekt met klei. Hierdoor is al het materiaal bewaard, ook de berkenbasten mandjes en menselijke en dierlijke botten, die normaal gesproken allang zijn verdwenen door verrotting.

In Nederland vinden we voornamelijk archeologische vondsten van materiaal dat niet aan rottingsprocessen onderhevig is geweest, zoals verbrande botten, potten, pannen en bakstenen. Je vindt bijvoorbeeld niet de rieten mandjes of visfuiken, die zijn al vergaan. Dan heb je echt specifieke bodemomstandigheden nodig en die hebben we hier in Swifterbant. De bodem is fantastisch om organisch materiaal in te bewaren. Meer dan de helft van Nederland is daar ongeschikt voor.

Uit de bodemlagen, die boordevol met bijvoorbeeld pollen en zaden zitten, worden allerlei soorten monsters genomen. Zoveel we er kunnen verzinnen. Zo kunnen we op basis van in de pollenbakken aanwezige granen zeggen dat er een akker is geweest. Of, als we mest in de monsters tegenkomen,  dat er koeien hebben gestaan.”

Betredingslaag
Elma vertelt verder: “We hebben laatst een betredingslaag gevonden, dat wil zeggen dat het oppervlak dusdanig droog is geweest dat daar mensen of dieren op hebben kunnen lopen. We weten niet of dat ook is gebeurd, het zou kunnen. In de loop van de tijd zijn er in Swifterbant meerdere opgravingen gedaan, daarom weten we ook dat de Swifterbantcultuur hier zit. Aangetoond is dat akkerlagen slecht zichtbaar zijn in de grond. De huidige theorie is dat er seizoensgebonden bewoning plaats vond op de oevers van de geul. Deze theorie is gebaseerd op het feit dat de gevonden akkers periodiek zijn overspoeld, mogelijk elk jaar. Je kunt je vast voorstellen dat er heel weinig van een akker overblijft als je 5000 jaar na dato nog even gaat kijken wat daarvan over is.

“Akkers zijn slecht zichtbaar, soms zelfs niet met het blote oog waarneembaar. Maar, dat wil niet zeggen dat ze er niet liggen.” – Elma Schrijer

“Op het moment dat we scherven vinden of dierlijke of menselijke botresten, dan weten we zeker dat de laag is betreden ten tijde van de Swifterbantcultuur. We hebben heel veel monsters genomen en die gaan allemaal onder de microscoop. Dan kunnen we meer vertellen dan wij nu met het blote oog kunnen zien.”

Reacties

Reageren?

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Uw bericht word na goedkeuring zichtbaar op de website.

Naam

Reactie:

Blogs