U gebruikt een verouderde browser. Wij raden u aan een upgrade van uw browser uit te voeren naar de meest recente versie.

 

16-05-2017

Steun uit omgeving voor Windplan Blauw in Flevoland

  


  

15-05-2017

Leden SwifterwinT tekenen hoofdovereenkomst

Ondertekening overeenkomst door L. SipkensOndertekening overeenkomst door L. Sipkens

Lammert Sipkens tekende als eerste, daarna volgden meer dan honderd leden.

 


 

14-04-2017

Windplan Blauw, Reikwijdte en Detailniveau

 


 

 14-04-2017

Nota van Antwoord op de zienswijzen concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau

 


 

 2-02-2017

Definitief toetsingsadvies commissie MER

 

Woningwaarde

Veranderingen in de omgeving kunnen van invloed zijn op de waarde van de woning. Denk aan nieuwbouw, een gewijzigd bestemmingsplan, of de bouw van (een) windturbine(s). RVO heeft onderzoek laten doen naar planschade en waardedaling van woningen in de omgeving van windturbines. Dit onderzoek heeft duidelijk gemaakt dat het om een beperkt aantal aanvragen gaat en dat de uitgekeerde bedragen relatief laag zijn. Ook de Vrije Universiteit en Universiteit van Amsterdam heeft onderzoek gedaan naar dit onderwerp. Hieruit blijkt dat de plaatsing van een windmolen binnen een straal van twee kilometer van de woning kan zorgen voor een lagere woningprijs. De (mogelijke) daling ligt gemiddeld tussen de 1,4 en 2,3% ten opzichte van vergelijkbare woningen zonder windmolen in de buurt. Een tweede windmolen zorgt overigens niet voor een extra daling.

 

Rol van het Rijk

Normaal gesproken is de gemeente het aanspreekpunt als het gaat om een vermoede daling van de woningwaarde en eventuele planschade als gevolg van het vaststellen van een bestemmingsplan. Omdat het project Windpark Windplanblauw onder de Rijkscoördinatieregeling valt, stelt het Rijk bij dit project het inpassingsplan vast (dit is een bestemmingsplan maar dan op rijksniveau vastgesteld). Daarom is het rijk ook aanspreekpunt voor eventuele planschade en neemt zij planschadeverzoeken in behandeling. Daarbij wordt onderzocht of en in welke mate er daadwerkelijk sprake is van planschade als gevolg van het vaststellen van het Rijksinpassingsplan. Voor het bepalen van planschade zijn objectieve criteria geformuleerd. De regels zijn beschreven in de Wet op de ruimtelijke ordening, artikel 6.1 tot en met 6.3.